Spelregels hockey – les 2

Feb 11, 2016 | Challenges, spelregels veld

WELKOM!

Dit is les 2 van de veldhockey spelregels. Denk je al behoorlijk wat te weten van de spelregels van veldhockey? Start dan direct met de toets hieronder (de spelregel challenge les 2).

Weet je er nog niet zoveel van? De spelregels van les 2 staan onderaan deze pagina. Lees ze eerst even door voordat je de challenge gaat spelen.

Spelregel Challenge – les 2

De spelregels – les 2

De hockeystick

Hockey speel je met een hockeystick. Zoals je in de afbeelding hieronder kunt zien heeft een hockeystick vier kanten. 

stickuitleg

De volgende regels zijn van toepassingen voor de stick:

Je moet in het veld je stick in je hand(en) hebben. Je mag je stick niet op een gevaarlijke of bedreigende manier gebruiken. Je mag je stick niet wisselen tussen toekennen en afronden van een strafcorner of strafbal, tenzij de stick niet meer aan de eisen voldoet. 

Je mag je stick niet over het hoofd van andere spelers heen tillen / bewegen, zie de video hieronder voor een voorbeeld.

 

Je mag niet met de achterkant, de zogenaamde bolle kant, van de stick spelen, zie de video hieronder voor een voorbeeld.

Je mag niet hard met de zijkant van de stick slaan bij een ‘forehandslag’. Dit verbiedt overigens niet het gecontroleerde gebruik van de zijkant van de stick bij een forehand tackle, bij het op gecontroleerde wijze omhoog spelen van de bal over de stick van een tegenstander of over een liggende doelverdediger, of bij een schuifslag of push.

Shoot (of voet)

Veldspelers mogen de bal niet stoppen, schoppen, slaan, oppakken, met zich meedragen, gooien of voortbewegen met welk deel van het lichaam dan ook. Deze overtreding wordt shoot of voet genoemd. Dat de bal de voet raakt is de meest voorkomende overtreding bij hockey.

Er is geen sprake van een overtreding wanneer de bal de hand raakt die de stick vasthoudt als hij anders de stick geraakt zou hebben.

 

Doelverdedigers

Gewone keep alleen binnen eigen 23 meter gebied spelen

Doelverdedigers die hoofdbescherming, beenbeschermers (legguards) en klompen dragen mogen tijdens de wedstrijd niet buiten hun eigen 23-metergebied aan het spel deelnemen. Enige uitzondering is dat ze zelf een strafbal mogen nemen (dan mag ook de hoofdbescherming afgezet worden).

Vliegende keep

De vliegende keep mag (alleen) binnen het eigen 23 metergebied hoofdbescherming dragen en is verplicht hoofdbescherming te dragen bij een strafbal of een strafcorner.

Voor beide typen doelverdedigers geldt

Wanneer ze een in stick in de hand hebben en de bal binnen hun cirkel is mag de doelverdediger de bal met zijn stick, zijn beschermende uitrusting of enig deel van zijn lichaam wegspelen, van richting veranderen (elke richting, ook achterlijn) of stoppen. Maar het mag nooit gevaarlijk zijn.

De doelverdediger mag zijn armen, handen of lichaam niet gebruiken om daarmee een pass over lange afstand te geven.

De doelverdediger mag niet op de bal liggen.

Bal buiten hun cirkel?

Wanneer de bal buiten hun cirkel is mogen beide typen doelverdedigers de bal alleen met hun stick spelen. Een veldspeler met de rechten van een doelverdediger wordt als veldspeler beschouwd als hij buiten zijn cirkel verdedigt.

 

Spelen van de bal

In veel van de spelregels wordt gesproken over het ‘spelen van de bal’. Voor een veldspeler wordt daarmee bedoeld het stoppen, laten afkaatsen of in beweging brengen van de bal met de stick. En vooral dat ‘in beweging brengen’ kan op verschillende manieren. Hieronder worden die verschillende manieren uitgelegd. Dit is extra belangrijk omdat soms iets wel mag met bijvoorbeeld een push, maar niet met een slag.

Forehand en backhand

Als eerste heb je de begrippen forehand en backhand. Je speelt met je forehand als je je stick rechts van je lichaam hebt en de krul van je stick naar boven wijst. Speel je met je backhand dan heb je je stick links van je lichaam.

Slag

Spelen van de bal door middel van een zwaaiende beweging van de stick naar de bal. Een schuifslag waarbij de stick een lange duwende of slepende beweging maakt voordat de bal wordt geraakt wordt aangemerkt als een slag. Bekijk de video voor een voorbeeld.

Push

Verplaatsen van de bal over de grond met een duwende beweging van de stick, nadat de stick eerst dicht bij de bal is geplaatst. Wanneer een push wordt uitgevoerd, zijn zowel de bal als de haak van de stick in contact met de grond. Bekijk de video voor een voorbeeld.

De flats

De flats zitten een beetje tussen de slag en de push in. Bekijk de video voor een voorbeeld.

Flick

Een flick is een soort push die de bal omhoog duwt (lift). Je kunt de flick gebruiken voor relatief lage lifts (over iemand zijn stick bijvoorbeeld) of voor hoge lifts (over iemand heen of hoog in de goal bijvoorbeeld).

Een voorbeeld van een lage flick zie je in onderstaande video.

Een voorbeeld van een hoge flick zie je in onderstaande video.

Traag spelen

Spelers mogen het spel niet vertragen om daardoor voordeel te behalen (tijdrekken).

Gevaarlijk spel en hoge ballen

Een basisregel bij hockey is dat de bal niet gespeeld mag worden op een wijze die gevaarlijk, bedreigend of intimiderend is of tot gevaarlijk spel kan leiden. Vooral bij hoge ballen zijn daarom duidelijke spelregels gemaakt.

Ontwijkende beweging

Een bal wordt in ieder geval als gevaarlijk beschouwd wanneer deze leidt tot een terechte ontwijkende reactie van andere spelers. Een bal wordt meestal niet als gevaarlijk beschouwd zolang deze onder kniehoogte blijft.

Omhoog slaan

Spelers mogen de bal niet opzettelijk met een slag van de grond omhoog spelen, behalve bij een schot op doel.

Het is geen overtreding als de bal, waar ook in het veld, met een slag, zonder opzet en zonder dat de slag gevaar oplevert, van de grond gaat. Dit geldt ook voor een vrije slag.

Over een stick of over een of meerdere tegenstanders heen spelen
De bal over de stick van een tegenstander of over een op de grond liggende tegenstander heen spelen, is toegestaan, zelfs in de cirkel, tenzij de actie als gevaarlijk wordt beoordeeld. Spelers mogen de bal met een flick of scoop omhoog spelen, mits dit geen gevaar oplevert.

Een flick of scoop in de richting van een tegenstander die zich binnen een afstand van 5 meter bevindt, geldt als gevaarlijk. Indien de tegenstander duidelijk op de bal of de aanvaller inloopt zonder de intentie te hebben om de bal met zijn stick te spelen, dient de tegenstander bestraft te worden voor gevaarlijk spel.

Hoge ballen senioren

Bij wedstrijden in de senioren competitie mogen spelers op een gecontroleerde manier de bal op elke plaats in het veld stoppen, ontvangen, laten afketsen en spelen op elke hoogte inclusief boven schouderhoogte, mits dit niet gevaarlijk is en het niet leidt tot gevaarlijk spel.

Hoge ballen junioren

Bij wedstrijden in de junioren competitie mogen spelers de bal met geen enkel deel van de stick spelen wanneer de bal boven schouderhoogte is. Dit geldt alleen niet voor verdedigers die een schot op doel met hun stick op elke gewenste hoogte mogen laten stoppen of afkaatsen. Is het geen schot op doel en de verdediger probeert de bal toch te stoppen of afkaatsen boven schouderhoogte dan moet een strafcorner worden gegeven.

Laten stoppen of afkaatsen mag dus in deze situatie. Weg slaan mag absoluut niet. Wanneer een verdediger de bal boven schouderhoogte wel weg slaat en hiermee een doelpunt voorkomt, moet een strafbal worden toegekend. Wordt er geen doelpunt mee voorkomen omdat de bal naast of over zou gaan, dan moet een strafcorner gegeven.

In onderstaande video een voorbeeld van hoe het moet / mag.

Hoge ballen opvangen

Spelers mogen niet binnen 5 meter komen van een tegenstander die een neerkomende bal probeert aan te nemen, totdat de bal door die tegenstander is ontvangen en onder controle gebracht en zich op de grond bevindt.

De in eerste instantie ontvangende speler heeft recht op de bal. Indien niet duidelijk is welke speler de eerste ontvanger is, geldt dat een speler van het team dat de bal omhoog heeft gespeeld de tegenstander de gelegenheid moet geven om de bal aan te nemen.

 

Afhouden (direct en indirect) en tackle

Een stilstaande speler die de bal ontvangt, mag daarbij opgesteld staan op iedere manier die hij wenst.

Afhouden: direct

Een speler die balbezit heeft, mag zich met de bal in alle richtingen verplaatsen, mits hij niet tegen een tegenstander oploopt of zich plaatst tussen de bal en de tegenstander als deze én binnen speelafstand van de bal is én probeert om de bal te spelen.

Spelers houden af wanneer zij:

  • Hun lichaam gebruiken om zich daarmee ruimte te verschaffen.
  • Met hun lichaam of stick het lichaam of de stick van een tegenstander hinderen.
  • De bal met hun stick of met enig deel van hun lichaam afschermen tegen een geoorloofde tackle.

Afhouden is een lastige regel. De ene scheidsrechter zal in een bepaalde actie eerder afhouden zien en er voor fluiten dan een andere.

In onderstaande video een duidelijk voorbeeld van afhouden met de stick.

Afhouden: indirect

Een speler die voor een tegenstander langs loopt of hem blokkeert en hem daardoor belemmert om de bal te (gaan) spelen, houdt af (dit wordt ‘indirect afhouden’ of ‘schaduw’ genoemd). In onderstaande video een voorbeeld. De rode verdedigster kan niet bij de bal van de witte aanvaller omdat een andere aanvaller er voor staat / loopt.

Tackle

Spelers mogen niet proberen een tegenstander de bal te ontnemen (tackle) als zij de bal niet kunnen spelen zonder lichaamscontact. Sliding tackles en andere fysieke acties van veldspelers waarbij een tegenstander wordt gevloerd, en waarbij het gevaar op blessures bestaat, dienen met de juiste spelstraf en persoonlijke straf te worden bestraft.

Scheidsrechters

Twee scheidsrechters hebben de leiding over de wedstrijd, passen de regels toe en beoordelen of er eerlijk en sportief gespeeld wordt (fair play). Scheidsrechter mogen tijdens de wedstrijd niet coachen. Scheidsrechters noteren gescoorde doelpunten, alsmede waarschuwingen en voor verwijderingen gegeven kaarten.

Wanneer de bal een scheidsrechter raakt wordt gewoon doorgespeeld.

Verantwoordelijk voor eigen helft?

Iedere scheidsrechter is gedurende gehele wedstrijd als eerste verantwoordelijk voor de beslissingen op zijn helft van het veld. Elke scheidsrechter is op zijn helft van het speelveld als enige verantwoordelijk voor beslissingen over vrije slagen in zijn eigen cirkel, voor strafcorners, strafballen en doelpunten. 

Scheidsrechters fluiten voor:

  • Het begin en het einde van de wedstrijdhelften.
  • Het beginnen met een bully.
  • Het opleggen van een straf.
  • Het aangeven van het begin en het einde van een strafbal.
  • Het aangeven van een doelpunt. 
  • Het hervatten van het spel nadat er een doelpunt is gescoord. 
  • Het hervatten van de wedstrijd na het nemen van een strafbal als er geen doelpunt is gescoord.
  • Het onderbreken van de wedstrijd voor het wisselen van een doelverdediger en daarna weer te hervatten.
  • Het onderbreken van de wedstrijd om enige andere reden en daarna te hervatten.
  • Indien nodig: aan te geven dat de bal geheel buiten het speelveld is geraakt.